NEDERLANDS    ENGLISH 



Op zaterdag 05 maart opende het Krokusfestival in Hasselt om 19u met de ‘Staat van de jeugddans’. Noem het een state of the Union, maar de dans voor/met kinderen/jongeren is sowieso bescheiden. Daarom wil de organisatie om de twee jaar, bij aanvang van elk Krokusfestival, aan een choreograaf, danser of betrokkene vragen zijn/haar persoonlijke Staat van de jeugddans uit te spreken (of te dansen). Als allereerste in wat kan uitgroeien tot een heerlijke traditie, heeft Joke Laureyns de uitnodiging aanvaard.
Staat van de jeugddans door Joke Laureyns
Krokusfestival, Cultuurcentrum Hasselt
5 Maart 2011

Er is mij gevraagd om een landschapstekening te maken, om u te vertellen hoe het stààt met de jeugddans...

Welk landschap?, heb ik gedacht.

Ik weet niet of dat er is,
ik weet ook niet of het er moét zijn.

In het spreken hierover voel ik mij een buitenstaander, een soort gastarbeider. Ik ben hier bij toeval terecht gekomen. Omdat ik ooit iets heb gemaakt mét kinderen en dat is toen opgepikt als dans vòòr kinderen. Pas op, ik ben daar wel dànkbaar voor. En door de jaren ben ik uiteindelijk gaan thuishoren op die plek, maar als ze mij vragen hoe het eraan toegaat, kijk ik nog steeds als een vreemdeling naar mijn gastland:

Er zijn daar een aantal dingen:

Er is dans.
Er is jeugddans. Kinderdans, kleuterdans, babydans, foetusdans... Hoeveel vermeende landschappen zijn dat?

Er is grote diversiteit in wàt er gemaakt en getoond wordt. Er is véél, en het is allemaal anders. Hoe kan je binnen zo een uiteenlopend veld spreken over een identiteit?

Er is weids braakland,
waarin iedere maker zijn of haar hut naar eigen believen optrekt. Die hutten staan vrij ver uit elkaar en er is weinig coherentie in stijl en vorm.

Er zijn geen instituten, geen gevestigde waarden,
geen verworvenheden in dit prille veld.

Er zijn makers die een specifiek dans-idioom ontwikkelen voor een publiek van kleuters en jonge kinderen. En er zijn makers die zich eigenlijk niet profileren als ‘jeugddansmakers’ en wiens werk – dikwijls tot hun eigen verwondering - blijkt te kunnen communiceren met jong publiek.

Er is dus geen standaard, er is ook geen ambacht of métier dat je kan leren als het erom gaat te maken voor een jong publiek.

Er is wél een ‘markt’
U vraagt, wij draaien.
Commercie is niet veraf
en het spreken in termen van ‘doelgroep’ slaat enerzijds op een bekommernis om het jonge publiek, maar ik zie ook de dreiging louter te willen behagen.

Er is een grote vrijheid:
Want er is geen lange traditie waartoe wij ons moeten of zelfs kùnnen verhouden. En ook ons publiek geeft een grote vrijheid: hun respons is niet gekleurd door hun visie op tendenzen binnen de podiumkunsten, door modes en profileringsdrang. We moeten in die zin niemand behagen, we moeten geen visies van een treffend antwoord voorzien. We moeten niets, de vraag is zelfs of we wel moeten bestaan?

Er is dus vrijheid, en daartegenover is er de verwachting dat degenen die de verse sporen trekken in dat prille landschap dat bewust doen, en met veel zorg. Jong publiek is géén oefenpiste, het is de enige toekomst!

Er is een dynamiek, en een beginnende betrokkenheid vanuit het avondcircuit. Wat Wim Vandekeybus doet met Radical Wrong, vind ik al goed op voorhand. Want de inzet is juist. En bv Jonathan Burrows? Hij heeft hier in Hasselt gewerkt op uitnodiging, omdat iemand heeft gedacht dat er een potentiele ontmoeting zit in het werk. Het beweegt, denk ik dan.

Er is ook het besef dat we soms alleen maar een paar sleutels moeten aanreiken om de onwennigheid weg te nemen rond wat ‘dans’ kan zijn en dat we dan oneindig véél kunnen tonen.

En tenslotte is er de dans, daar spreek ik liever over, los van welke leeftijd van welk publiek dan ook.

Dans, niet als “pasje hier,pasje daar”, maar dans die, juist omdat ze de gesproken taal vermijdt, het kan hebben over verlangen, over liefhebben, over dood, over oerangsten... Over alle grote dingen waarover we niet kunnen spreken zonder te stotteren, zeker niet tegenover een kind.
Dààr kan dans een onderscheid maken, als een vocabulaire van het onuitspreekbare.
Als de kunst met het vermogen om te communiceren op een dieper en intuitiever niveau, pré-talig, instinctief bijna en onbenoembaar. Als een kunst die vermag verwonderen.

Er is in mijn ervaringen met jong publiek, altijd een verbazing, over hetgeen het net heeft gezien. Vaak een enorm niet-weten, niet-weten hoe het geziene te verwoorden, of hoe te benoemen welke kijk-ervaring er net is geweest.
En dat is goed:
Ik denk niet dat kunst voor kinderen moet beantwoorden aan hun verwachtingen, ik denk dat we hen een veel groter plezier doen door hen iets te tonen dat ze niet kennen, dat vragen oproept, dat de wereld in een ander perspectief plaatst...

Een moment van niet-weten, een adempauze tussen alle zekerheden waarmee ze worden opgevoed – mooist is als ook de grote mensen het niet zo goed weten, dat ook zij in de verbazing delen, dat er vragen zijn, de schoonheid van de twijfel, de opening naar filosofie, naar een mentale rijkdom. Het lijkt mij heerlijk om samen niet-te-weten, als het gaat om een warme verwarring, een liefdevol uit-het-lood te worden geslagen. Dat is wat dans kan doen. Zo is het ooit voor mij begonnen, en daarom ben ik hier gebleven. De mentale uitdaging is geen pesterij van een maker tov zijn publiek, het is ook geen wedstrijd over wie de beste kijker of begrijper is.

Ik pleit voor onvoorzichtige voorstellingen, die de dans erkennen als een prachtig medium om de gelaagdheid van ons voelen en denken een platform te geven, om de omtrekken rond onze ervaringen uit te vagen, om veel oneindiger te worden in onze perceptie, en dus opener, mooiere mensen.
Een pleidooi voor twijfel. Voor volwassenen én kinderen, en liefst een gedeelde twijfel, één die het onderscheid tussen de generaties kan opheffen: een ouder, een grootouder, een leerkracht, die zegt ‘ik zou het ook niet weten, laat ons even samen nadenken, wat hebben we gezien’ en dat in het gesprek, of in het zwijgen dat erop volgt, wijsheid leeftijdsloos wordt, tweerichtingsverkeer ipv top-bottom-kennis-overdracht.
Dat is één. Dans is één. De zeggingskracht van een articulerend lichaam onderkennen.

En twee. Twee is: neem het jong publiek ernstig, pamper het kind niet.
Wij krijgen het voorrecht hen te benaderen, wij krijgen een forum en we hopen dat ze daarin een rijkdom ontdekken die voorbij gaat aan de zuigkracht van de commercie.
Ik hoop dat wij makers zijn die een kind erkennen in zijn individualiteit, door voorbij de norm te gaan, die het kind laat ontstijgen aan de grootste gemene deler... We hebben daarvoor een prachtig wapen, de dans. Maar we moeten het als maker juist hanteren: door dans als taal au sérieux te nemen, door alleen het allerbeste te tonen, door niet te beantwoorden aan wat ze al kennen via de populaire media (de bloedeloze dansjes, de dans als opvulling, als achtergrond). Laat ons hun referentiekaders en begripsvorming verruimen in plaats van bestendigen. Dat is twee.

En drie:
Dat dans voor een jong publiek iets vanzelfsprekend wordt. Dat we ons volledig mogen concentreren op de artistieke ontwikkeling van een straf repertoire. Dat er minder energie moet gaan naar het uit ten treure verantwoorden:
tov het onderwijsveld ‘dat het niet te moeilijk is’,
tov het volwassen dansveld ‘dat het niet simplistisch is’,
tov subsidiërende overheden ‘dat het werk ontstaat uit artistieke noodzaak’,
en tov diezelfde overheden - op andere bureaus – ‘dat het jà ook sociaal-artisitieke en educatieve en pedagogische doelen kan dienen’,
tov de danser 'dat het werk niet minderwaardig is',
tov de geldschieter ‘dat de loonlasten voor een artiest dezelfde zijn of die nu voor een jong publiek speelt of voor volwassenen’
en tov het kind ‘dat het uit liefde is gemaakt’
... dat is véél praten, veel overtuigen

er zijn gelukkig bondgenoten: programmatoren met een liefde voor dans en voor een jong publiek. En een paar goede communicatoren, die zonder schroom inzoomen op zowel dans voor een volwassen publiek als dans voor een jong publiek, en die dat doen in de diepte, met interviews en landschapsschetsen die helderder zijn dan wat ik hier vanavond probeer te doen. Zoals in de publicaties van dans in limburg, bv. Méér van die openheid graag, we varen er allemaal wel bij!

Maar we mogen niet worden afgesneden in onze plannen door een tekort aan financiële middelen. Als we kwalitatief willen groeien, als we het landschap een gezicht willen geven, dan moet zich dat vertalen in een prioriteit van de beleidsmakers. Dan volstaat het niet te zéggen dat het sympathiek is, maar dat er ‘spijtig genoeg onvoldoende middelen zijn.’ Als er via projectsubsidies al nauwelijks geld kan worden vrijgemaakt, hoe zouden we dan durven uitkijken naar gedragen structuren? Er is in vlaanderen niet één structureel gesubsidieerd ‘jeugddansgezelschap’, maar er is een enorm potentieel en een grote gedrevenheid. En die kan aanmoediging gebruiken.

We hebben nog maar nauwelijks een spoor getrokken,
en onze prille kansen zijn al beknot.

Ik heb gezegd dat er voor mij geen afzonderlijk landschap van dans voor een jong publiek moet bestaan... omdat ik hoop dat het zich mag profileren als een speeltuin in de rijkdom van wat er aan dans in vlaanderen tout court bestaat. Dat er niet teveel schotten worden opgetrokken tussen avondcircuit en jong publiek. Dat de genoemde ‘jeugdjongerenkinddans’ een eigen gezicht krijgt binnen een groter geheel (en misschien eindelijk ook eens een geschikte naam).

Dat er een klimaat kan zijn waarbinnen een kind zich zijn eerste dansvoorstelling kan herinneren als het begin van een lange liefde.

En dat dié liefde op dit festival mag starten.